






Nationaal Museum de Zwarte Tulp bestaat 40 jaar
Historie van het museum in vogelvlucht
Voor de allermooiste ervaringen moet een mens een beetje moeite doen en zo bezien is het eigenlijk gunstig dat Nationaal Museum de Zwarte Tulp zich niet zo makkelijk laat vinden. Je krijgt het niet cadeau en daar is een heel charmante reden voor. Het museum is gevestigd in een voormalige bollenschuur en die bouwde men niet aan de straat maar áchter het woonhuis op de tweede lijn bij het bollenland. Als u in Lisse bent vindt u dus in het hart van het dorp, aan het Vierkant, op die tweede lijn een eersteklas museum.
Een museum dat op 31 augustus dit jaar 40 jaar bestaat en indertijd opgericht is om de cultuur rond het ambacht van de bollenteelt niet verloren te laten gaan. Eeuwenlang werd de streek door dit ambacht bepaald: aanvankelijk rond Haarlem tot bloei gekomen en nadien naar de zuidelijker gelegen zandgronden rond Lisse afgedaald. Uiteindelijk zette deze ontwikkeling zich door naar bollenvelden elders in Nederland.
Naam Zwarte Tulp
De mare gaat dat de eerste Amerikanen die door de ‘ founding fathers in het museum voor de Bollenstreek werden rondgeleid uitriepen: ’ Beautiful museum, but what a terrible name! Why don’t you call it Black Tulip?’ Godlof heeft men deze suggestie opgevolgd. Het museum doet deze naam steeds meer eer aan doordat naast het ambacht ook de imaginaire wereld – waar de zwarte tulp naar verwijst- te zien is in de vorm van een indrukwekkend kunstaanbod. Waar voorheen de tulp een magische aantrekkingskracht uitoefende op de impressionisten en Monet een mooie serie bollenvelden heeft geschilderd, is voor eigentijdse kunstenaars het thema ook een blijvende inspiratiebron. In jaarlijkse exposities als ‘ Tulpen Nu’ worden tulpen getoond van zink, glas, klei, brons, papier in alle denkbare vormen en composities.
Hoog niveau
Deze tentoonstellingen, maar sowieso álle exposities, zijn van ongekend hoog niveau. Sommige bleken echte publiekstrekkers. Denk aan de expositie van Anton Koster (de Rembrandt onder de bollenschilders) maar ook de exposities ‘De Schatkamer van…’ waarin steeds een andere BN’er als gastconservator optreedt. Populair waren ook de wat kleinere tentoonstellingen die aanhaakten bij de actualiteit zoals bijvoorbeeld ‘ de recente herdenking van 80 jaar bevrijding met de tentoonstelling “Honger! De Tulpenbol op tafel”, waarin de bol als eetbaar object centraal stond. De twee pilaren waarop het museum steunt, namelijk het ambacht en de kunst, vullen elkaar wonderwel mooi aan. Bollenkwekers verveelden zich vaak in de winter en kwamen dan juist in die tijd van het jaar op ingenieuze ideeën en vonden hulpmiddelen uit die hielpen het vak wat makkelijker uit te oefenen. De plantenrol en de ‘paadjesmaker’ zijn daar voorbeelden van. Dezelfde inventiviteit hielp ook mee de bloembol te verbeelden: een bollenreiziger moest potentiële klanten duidelijk maken wat er ooit uit zo’n bol zou groeien en daarmee was de noodzaak tot het maken van prenten, en de eerste catalogus, geboren.
Oude gereedschappen
Als eigentijds museum heeft de Zwarte Tulp digitale middelen hoog in het vaandel maar is tevens óók overtuigd van het belang van fysieke ervaringen. Waar de oude gereedschappen vroeger wellicht wat oubollig aandeden gaat er nu voor de schermgeneratie, die nog nooit een volle bollenmand heeft vastgehouden of een schop gehanteerd, een wereld open. De tuin rond het museum helpt mee de seizoenen te ervaren. Een tuin die door vrijwilligers in perfecte staat wordt gehouden. Zoals het hele museum draait op vrijwilligers. Verzin een taak en zeker weten dat hij gedaan wordt door vrijwilligers. Van koffiezetten tot collectiebeheer. Van souveniraanbod tot beveiliging. Van educatie tot workshops geven. Van EHBO tot de lief- en leedpot. Van rondleiden tot kas beheren. Een museum dat vier decennia lang in staat is vrijwilligers te enthousiasmeren doet iets heel erg goed. Die vrijwilligers doen ook iets heel goed. En dát is waarschijnlijk omdat de bezoekers iets heel goed doen : ze worden blij van het museum en laten dat weten. Vaak kopen ze ook mooie souvenirs in de rijkgevulde museumshop.
Gildeleden
Een museum dat ook nog eens financieel gezond is. Kom daar maar eens om heden ten dage. En dat zonder financiële bijdragen van gemeente of rijk. Het geheim? Het museum wordt in de streek op handen gedragen. Bedrijven worden graag lid van het Gilde van de Zwarte Tulp of schaffen een beschilderde reuzenbol aan. Zij mogen zich, samen met de Vrienden van het museum, verheugen in het prettige idee bij te dragen aan het bestaan en behoud van een tak van sport die eerst alleen de streek betrof, maar allengs uitwaaiert naar nieuwe verten. Daar, bij die nieuwe verten staan nieuwe uitvindingen op de soms gebogen schouders van de bollenmensen van het eerste uur. Transformatie door zogenoemde ziekzoekrobots of ziektepreventie met gebruik van satellieten. Je kunt het zo gek niet bedenken en dat hoeft ook niet want het museum is voornemens om ook die vernuftige nieuwe aanpak goed inzichtelijk te presenteren in de Zwarte Tulp.
De installatie van kunstenaar Niek Hendrix, getiteld Tulpendia, geeft een prachtig beeld van alle invloeden waar de bol de afgelopen eeuwen aan onderhevig is geweest en neemt een voorschot op de toekomst door de bitcoin en de satelliet ook een plaats toe te kennen.
In een tot de nok met kunst gevuld museum waar kleur al bij je entree meteen de dienst uitmaakt. Denk niet zwart-wit, meldt dit museum subtiel door haar uitstraling. Grijzen worden pasteltinten en kinderen laten zich schminken in hun favoriete kleur. De verf gaat er weer af, maar de ervaring blijft.
Nationaal Museum de Zwarte Tulp. Het gaat niet over koeien, niet over kaas, niet over klompen.
Het gaat wél over de kunst van een ambacht, de esthetiek van een bloembol, de evolutie van een streek, het succes van een samenwerking, over het genieten van kleur maar vooral…over een eersteklas museum op de tweede lijn. Pretentieus en tóch bescheiden. Nogmaals. komt dat zien!